Minsommen met tientalovergang: zo ga je terug over het tiental

GratisZonder accountGeen reclame in het spelOm te printen

Groep 3-5 (1ste-3de leerjaar) · kerndoelen rekenen en wiskunde

Stap voor stap

Voorbeeld 1 - tot 20, via de 10: 13 − 5

  1. Hoeveel moet er van 13 af om bij 10 te komen? 3.
  2. Splits de 5 in 3 en 2.
  3. 13 − 3 = 10.
  4. 10 − 2 = 8. Dus 13 − 5 = 8.

Voorbeeld 2 - tot 100, rijgen: 62 − 27

  1. Eerst de tientallen eraf: 62 − 20 = 42.
  2. Dan de eenheden, via het tiental: 42 − 2 = 40.
  3. Nog 5 eraf: 40 − 5 = 35. Dus 62 − 27 = 35.
  4. Controle met plus: 35 + 27 = 62. Klopt.

Voorbeeld 3 - onder elkaar met lenen (vanaf groep 5-6): 532 − 278

   4 12 12
   H  T  E
   5  3  2
 − 2  7  8
 ---------
   2  5  4
  1. Eenheden: 2 − 8 kan niet. Wissel 1 tiental in: de 3 tientallen worden er 2, de 2 eenheden worden 12. 12 − 8 = 4.
  2. Tientallen: 2 − 7 kan niet. Wissel 1 honderdtal in: de 5 honderdtallen worden er 4, de 2 tientallen worden 12. 12 − 7 = 5.
  3. Honderdtallen: 4 − 2 = 2.
  4. Uitkomst: 532 − 278 = 254.

Kolomsgewijs: 500 − 200 = 300 · 30 − 70 = −40 · 2 − 8 = −6 → 300 − 40 − 6 = 254.

Minsom met tientalovergang: 13 min 5 via de 10 is 8

Min over het tiental tot 20 · 10 sommen · zonder tijd · cijfertoetsen ·

Werkbladen om te printen

Maak je eigen werkblad

Aantal sommen
Indeling
Antwoordblad op pagina 2
Papier
Aantal versies

Minsommen via het tiental op de getallenlijn
Een tiental inwisselen voor tien eenheden

Minsommen met tientalovergang: terug over de 10

Bij een minsom met tientalovergang ga je onder een tiental door: bij 13 − 5 kom je van boven de 10 naar onder de 10, en bij 62 − 27 ga je onder de 40 door. Voor de meeste kinderen zijn minsommen met tientalovergang lastiger dan plussommen, omdat ze terug moeten denken. Op deze pagina zie je drie uitgewerkte voorbeelden, van tot 20 tot onder elkaar, en kan je kind ze oefenen met spelletjes en werkbladen.

Via de 10 terug

Het trucje is hetzelfde als bij plus, maar dan achteruit. 13 − 5: haal er eerst 3 af, dan ben je bij 10. Van de 5 moeten er dan nog 2 af, en 10 − 2 = 8. Je kind moet dus weten hoeveel er boven de 10 zit en de 5 kunnen splitsen in 3 en 2. Een andere goede manier is aanvullen: 13 − 5 is "van 5 naar 13", en dat is 5 + 5 = 10 en nog 3, dus 8.

Tot 100: rijgen en aanvullen

Bij 62 − 27 werkt rijgen goed: eerst 20 eraf (42), dan 2 eraf naar 40, en dan nog 5 eraf: 35. Splitsen in tientallen en eenheden gaat bij min vaak mis, omdat je bij de eenheden 2 − 7 krijgt. Liggen de getallen dicht bij elkaar, zoals bij 81 − 76, dan is aanvullen het snelst: van 76 naar 81 is 5.

Onder elkaar: lenen of inwisselen

Bij grotere minsommen onder elkaar, vanaf groep 5 of 6, kom je bij de eenheden soms een te klein getal tegen: bij 532 − 278 staat er 2 − 8. Dan wissel je een tiental in voor tien eenheden, ook wel lenen genoemd: de 3 tientallen worden er 2, en de 2 eenheden worden 12. Nu kan het: 12 − 8 = 4. Bij de tientallen gebeurt het nog een keer. In het spel "Onder elkaar" doet je kind elke stap zelf; op papier oefen je met het werkblad "Minsommen onder elkaar". Sommige scholen leren eerst kolomsgewijs aftrekken, met tussenuitkomsten onder nul; die manier kun je bij Instellingen kiezen.

Veelgestelde vragen

Waarom zijn minsommen met tientalovergang zo moeilijk?

Omdat je terug moet rekenen en twee stappen tegelijk moet onthouden. Oefen eerst de splitsingen, dan gaat het via de 10 veel makkelijker.

Wat is lenen bij aftrekken onder elkaar?

Als de bovenste eenheden kleiner zijn dan de onderste, wissel je een tiental in voor tien eenheden. Het tiental wordt één minder, de eenheden worden tien meer.

Hoe controleer ik een minsom?

Tel de uitkomst op bij het getal dat eraf ging. Bij 62 − 27 = 35 reken je 35 + 27 = 62.

Welke manier moet mijn kind gebruiken?

De manier die de school gebruikt. Rijgen en aanvullen zijn de gewone manieren voor uit het hoofd; lenen of kolomsgewijs is voor onder elkaar.